abonneer je op mijn twitter!
Posts tonen met het label Algemeen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Algemeen. Alle posts tonen

woensdag 16 november 2011

Sociogram

Om sociale relaties en verbindingen die in een groep spelen zichtbaar te maken, kun je een sociogram afnemen. Een sociogram bestaat uit een aantal gerichte vragen waarvan de antwoorden later in een grafiek kunnen worden omgezet. Hierin wordt dan de aantrekking en afstoting tussen groepsleden weergegeven.

Sociometrie
Rond 1960 ontwikkelde Jacob Levy Mareno de sociometrie om de relatiepatronen binnen een groep zo helder mogelijk in beeld te brengen in een zogenaamd sociogram. Volgens Mareno zou men de samenwerking tussen mensen kunnen verbeteren door met behulp van een sociogram evenwichtig samengestelde groepen te vormen.

Je zou het echter ook kunnen gebruiken om juist die personen met elkaar te laten samen werken die in eerste instantie geen aantrekkingskracht tot elkaar voelen. Hierdoor kan een ieder leren waar de positieve (sterkere) kanten van een ander ligt.

Sociogram
Sociogram is ontwikkeld met name rond onderwerpen zoals pesten of het zondebokfenomeen, maar ook om zicht te krijgen op de ontwikkeling van de groep over langere tijd gezien, of om subgroepjes samen te stellen en van daaruit de groepsstructuur te beïnvloeden.

Een leerkracht is voor een groot deel van de dag aan het observeren, signaleren, analyseren en registreren van hetgeen hij/zij ziet aan resultaten en gedrag. Met name het gedrag registreren is voor een leerkracht belangrijk om te voorkomen dat problemen zich voordoen binnen een groep. Echter, het blijft voor een groot deel subjectief. De leerkracht doet het werk en heeft daarbij eigen intrinsieke waarden en normen. De leerkracht kan echter niet even een venstertje openen bij het kind om zo goed na te gaan wat het kind nu uiteindelijk echt denkt en voelt en waar het al dan niet sympathieke gevoelens voor heeft of niet.

Om er voor te zorgen dat een leerling zich goed voelt binnen een groep, moeten er aan drie basisbehoeften worden voldaan:

  1. de leerling moet zich veilig kunnen voelen en bij een groep horen.
  2. de leerling moet enige invloed kunnen uitoefenen op de groep, moet zich kunnen uiten en merken dat de groep hier niet aan mee doet. Begrijp ik niet helemaal
  3. de leerling moet enig persoonlijk contact kunnen hebben met andere groepsleden.

Gegevens
Om nu te kijken hoe het kind binnen een groep staat is het afnemen van het sociogram een mogelijkheid. Dit is een vrij simpel sociogram om op een snelle manier aan bepaalde gegevens te komen.

De website is: www.sociogram.nl

Je moet je als leerkracht aanmelden en dan krijg je een account met een wachtwoord. Daarna ga je de leerlingen van de groepen ingeven en geef je een naam aan een test. Elke test heeft dezelfde vragen maar omdat je op verschillende momenten per jaar, bijvoorbeeld met de herfst en lente, de afname doet om zo de ontwikkeling binnen een groep te registreren, moet je per test een "naam" geven (bijvoorbeeld groep 7 oktober 2005).

De test zelf bestaat uit 4 vragen.

  1. met wie zou je graag willen spelen?
  2. met wie zou je niet zo graag willen spelen?
  3. met wie zou je graag willen werken?
  4. met wie zou je niet zo graag willen werken?

3 kinderen aanwijzen
Bij elke vraag moeten de leerlingen 3 kinderen aanwijzen. Voor de bovenbouw is het geen probleem om zelf deze vragen te beantwoorden. Het programma is makkelijk te bedienen. De leerling moet wel op een plek zitten waar de privacy is gegarandeerd.

Voor de onderbouw, groep 1, 2 en 3 bij aanvang van het schooljaar, is het nodig om de vragen samen door te nemen en in te vullen.

In de praktijk is echter gebleken dat het aan te raden is om ook groep 3 en 4 verder te begeleiden omdat er veel namen op het scherm staan en een kind er lang over doet om de nodige kinderen uit te kiezen. Het invullen van namen op een papiertje is dan eventueel efficiënter en dat de leerkracht zelf daarna de gegevens intypt in de computer.

Als de hele groep de vragen heeft beantwoord wordt er een analyse gemaakt van het "speelgedeelte" en "werkgedeelte". Deze analyse geeft per gedeelte weer: persoon tot persoon en groep.

Persoon tot persoon:
Wie kiezen positief voor elkaar?
Wie kiezen negatief voor elkaar?
De negatief-positief gevallen.

Groep:
Wie zijn populair in de groep?
Wie zijn verstoten uit de groep?
De tegenstrijdige gevallen.

Daarbij kun je ook nog een sociogramtabel afdrukken die een geheel overzicht geeft.

De site www.sociogram.nl geeft verder geen suggesties ter verandering of verbetering van de groep. Het geeft alleen maar een overzicht.

Door op de site op demonstratie te klikken krijgt u een beeld van bovenstaand.

De leerkracht zelf moet nu verder gaan met deze gegevens om eventuele samenwerkingsverbanden tussen de leerlingen te bewerkstelligen. De gegevens zijn dus een handvast/middel om verder te gaan. Een objectieve signalering.

Verschillende vormen van pesten


Bij pesten kan een onderscheid worden gemaakt tussen incidenteel en structureel pesten. Incidenteel pesten: af en toe pesten. Een enkele opmerking, steek of sneer, een enkele duw, een enkele keer een voet uitsteken...

Structureel pesten: sommige leerlingen zijn continu het slachtoffer van pesten. Het maakt niet uit wat ze doen of zeggen, wat voor kleding ze ook dragen: het is "nooit goed". Er zijn leerlingen die zich continu gedragen als pestkoppen: het lijkt wel of ze geen andere manier van omgaan met medeleerlingen kennen!

Er zijn verschillende vormen om een slachtoffer te pesten. Deze pesterijen kunnen verbaal, fysiek, materieel,mentaal of sociaal geuit worden.

Verbale pesterijen:

  • schelden/scheldnamen geven
  • bijnamen geven
  • kwalijke opmerkingen, zoals: “Doe niet zo dom joh, sukkel”.
  • na-apen, praten met dezelfde intonatie en woordkeuze
  • naroepen/uitlachen/belachelijk maken bijvoorbeeld:
    - neus dichtknijpen als de "zondebok" passeert
    - "Jimmy, ha, ha, heeft weer in z'n bed geplast!"
    - "Hé, bruine, ben je in de poep gevallen?"

Fysieke pesterijen:

  • trekken aan het haar
  • schoppen, slaan, krabben
  • prikken met de pen
  • pootje haken
  • kopje onder duwen in het zwembad
  • omduwen bij het fietsen

Materiële pesterijen:

  • stukmaken/afpakken/verstoppen van eigendommen, bijvoorbeeld:
  • fietsbanden leeg laten lopen
  • pen vernielen of verstoppen in het kastje van een ander
  • tas afpakken (of onder de tafels doorschuiven naar de andere hoek van de klas)
  • snoep/brood afhandig maken en snel zelf opeten

Mentale pesterijen:

  • bedreigingen of dingen laten doen

Sociale pesterijen:

  • uitsluiten van groepsspel of sportactiviteit
  • nadoen, imiteren (bij voorkeur: sterk overdreven) bijvoorbeeld:
    - achter iemand aanlopen
    - bekken trekken

Vooral door verzwijging duren pesterijen meestal lang voort. Pestgedrag is niet iets wat één of enkele keren voorkomt, maar kan zich lang voortslepen. Het kan maanden tot soms zelfs jaren doorgaan. Het is natuurlijk niet leuk als je een van bovenstaande pesterijen moet ondergaan.

Het gepeste kind zal zich al snel schamen en het niet vertellen, thuis noch op school.

Gevolgen van het pesten


Pesterijen zijn ingeburgerd in de maatschappij. Volwassenen pesten elkaar bijvoorbeeld op de werkplek, maar ook op hoog niveau. Landen en volkeren die in oorlog zijn met elkaar, zijn in principe ook bezig met elkaar dwars te liggen, elkaar te pesten. Het gevolg hiervan is dat er nog altijd, en steeds meer, onderscheid gemaakt wordt tussen mensen. Hier vloeit agressie en discriminatie uit voort. Dit heeft grote gevolgen voor degene die gepest wordt en zijn omgeving.

Het is veelal moeilijk om het pestgedrag te herkennen en wanneer dit het geval is, de juiste keuze te maken voor de aanpak. Er zullen veel dilemma’s overwonnen moeten worden.

De gevolgen voor het gepeste kind.
Voor de gepeste zijn er veel gevolgen op verschillende gebieden, zoals de persoonlijkheidsontwikkeling, cognitieve ontwikkeling, motorische ontwikkeling, lichamelijke ontwikkeling, emotionele ontwikkeling en sociale ontwikkeling.

De zondebok is niet meer zo gemotiveerd om naar school te gaan. Het heeft vaak hoofd- en/of buikpijn, zit niet zo lekker in zijn vel. Het kind krijgt psychosomatische klachten en reageert de spanning lichamelijk af. Dit kan tot in de volwassen leeftijd doorwerken. Deze situatie is psychisch niet gezond.

De cognitieve ontwikkeling wordt verstoord, want vaak gaan de leerprestaties achteruit. Dit komt doordat de zondebok veel onveiligheid ervaart: “Wat zal er vandaag weer gebeuren? Zal het pesten vandaag minder zijn dan gisteren? Misschien is het wel opgehouden.” Ze zijn voortdurend bezig met het probleem en steken er veel energie in. Hierdoor kan de zondebok minder energie steken in het leren, waardoor de leerresultaten achteruit gaan. Maar ook minder energie steken in het plezierig leven.

Er is sprake van psychosociale gevolgen. Sommige slachtoffers hebben het over een litteken, over angst- en faalgevoelens. Anderen hebben overwogen een einde te maken aan hun leven. Verder ontwikkelen slachtoffers gevoelens van minderwaardigheid, eenzaamheid, wantrouwen en argwaan.

Uit deze gevolgen is te concluderen dat je leven drastisch verandert wanneer je gepest wordt. Mensen die ooit slachtoffer van pestgedrag zijn geweest, hebben vaak een gebrek aan zelfvertrouwen, waardoor het in het verdere leven moeilijk kan zijn om relaties aan te gaan, zowel op privé-gebied als op werkgebied.

De gevolgen voor het gezin
Voor het gezin zijn er ook gevolgen wanneer een individu in hun omgeving gepest wordt. Uit onderzoek is gebleken dat het gezin vaak slecht op de hoogte is van het probleem van de zondebok. Van der Meer (1993) vertelt dat ouders heftige emoties doormaken wanneer ze erachter komen dat hun kind op school wordt gepest. Ouders voelen zich boos, machteloos en soms ook schuldig aan de pesterijen van hun kind.

Gevolgen voor de leerlingen in de groep
Van der Meer (1988) stelt dat de leerlingen in de groep zich voor een groot probleem geplaatst voelen. Nemen zij het voor de zondebok op, dan lopen ze het risico ook slachtoffer te worden. Nemen ze het niet op voor het slachtoffer, dan zijn ze medeplichtig aan een activiteit die ze niet willen en misschien wel afwijzen. Ze kunnen op drie manieren met dit dilemma omgaan. Allereerst door zich voortdurend schuldig te voelen. In de tweede plaats kunnen ze het aanvaarden, alsof het een natuurlijke zaak is: in een groep is er altijd een zondebok.

Tenslotte kunnen ze op den duur hun eigen frustraties gaan afreageren op iemand die lager staat in de sociale rangorde.

In groepen waar gepest wordt, heerst vaak een onheilspellende sfeer. Deze sfeer heeft negatieve gevolgen voor een goede persoonsontwikkeling van de leerlingen in de groep.

Gevolgen voor de leerkracht
Niet alleen de zondebok en de rest van de klas zien zich voor een onoplosbaar probleem geplaatst, maar ook de leerkracht die aan de situatie iets probeert te veranderen. Wanneer de leerkracht partij kiest voor de zondebok, zullen de pesters zijn lessen proberen te verzieken of blijven zelfs weg uit de les. Kiest hij geen partij voor de zondebok, dan maakt hij zich schuldig aan het voortbestaan van een ongezonde situatie. De agressoren zullen zich gesteund voelen door de leerkracht en het pesten zal doorgaan of erger worden. (Van der Meer, 1988.)

Gevolgen voor de pester
Olweus (1992) stelt dat jongeren die agressief zijn en anderen treiteren, een vrij groot risico lopen op latere leeftijd ander probleemgedrag te ontwikkelen, zoals criminaliteit en alcoholmisbruik. Reden voor deze stelling is dat pestkoppen in het algemeen positief staan ten opzichte van geweld en het gebruik van geweld. Verder worden ze gekenmerkt door impulsiviteit en een sterke behoefte anderen te domineren. Deze karaktereigenschappen hebben ze zich in hun jeugd eigengemaakt, onder andere door te pesten, en zullen worden voortgezet in hun verdere leven.

Onderzoek naar pestgedrag
In 1991 startte het eerste Nederlandse onderzoek naar pesten en gepest worden. De resultaten voor wat betreft de gepeste kinderen waren als volgt:

  • 23% van de kinderen in het basisonderwijs zegt regelmatig of vaker te worden gepest. Dit percentage staat gelijk aan 331.867 basisschoolleerlingen in Nederland. In het voortgezet onderwijs is het percentage 6%, dit zijn 54.989 leerlingen.
  • Het pesten gebeurt meestal door kinderen uit dezelfde klas of groep. Het zijn meestal jongens die dit doen.
  • De leerkracht in het basisonderwijs grijpt, volgens het oordeel van de leerlingen, in 80% van de gevallen niet in. In het voortgezet onderwijs is dit percentage 98%.
  • Leerlingen in het basisonderwijs vertellen het in 83% van de gevallen niet aan de leerkracht dat ze worden gepest. In het voortgezet onderwijs in 97% van de gevallen.
  • Leerlingen in het basisonderwijs vertellen het in 64% van de gevallen niet aan hun ouders. In het voortgezet onderwijs is dit 90%.


Daarnaast leverde het onderzoek ook gegevens op ten aanzien van de pesters:

  • Het aantal kinderen dat in het basisonderwijs zelf regelmatig of vaker pest is 288.580. In het voortgezet onderwijs is dit aantal 146.638.
  • Ook ten aanzien van het zelf pesten spreken de leerkracht in het basisonderwijs en de ouders van een basisschoolleerling vaker met de leerling, dan in het voortgezet onderwijs het geval is.
  • 40% van de leerlingen in het basisonderwijs stelt dat zes of meer leerlingen dit schooljaar (90/91) hebben meegedaan met het treiteren van andere kinderen. In het voortgezet onderwijs is dit 33%.
  • Opvallend is het antwoord op de vraag: “Vind je het leuk om andere kinderen last te bezorgen?” Van de basisschoolleerlingen zegt 45% hierop: “Ja.” Daarnaast zegt 19% van de basisschoolleerlingen en 16% van de kinderen in het voortgezet onderwijs dat ze het niet uit kunnen staan dat leerlingen andere leerlingen pesten.

Rol van de leerkracht


Het signaleren van pestgedrag is van groot belang, omdat de meerderheid van de gepeste kinderen niet aan hun leerkracht of ouders vertellen dat zij worden gepest. Als kinderen het zelf niet zeggen is het dus belangrijk dat de leerkracht signaleert.

Een leerkracht is de hele dag bezig met de leerlingen. Niet alleen is hij bezig met onderwijzen maar hij neemt ook de tijd om te observeren. Toch is het niet altijd eenvoudig om pesten goed te onderscheiden van ander conflictgedrag. Daarbij komt nog dat pesters veelal stiekem en buiten het directe gezichtsveld van de leerkracht zijn praktijken uitoefent.Een derde mogelijkheid is dat er soms onderhuids emoties aanwezig zijn die niet bekend zijn bij de leerkracht noch bij de andere leerlingen. Je kunt het misschien vergelijken met het Johari schema:
Bekend aan jezelf
Onbekend aan jezelf
Bekend aan anderen
Open ruimte

Blinde vlek
Onbekend aan anderen
Verborgen gebied
Onbekende gebied

In dit verborgen gebied kunnen emoties zitten t.o.v. andere leerlingen van voorkeur of juist afwijzing. Potentiële emoties die sfeerbepalend kunnen zijn en pestgedrag in de hand zouden kunnen werken.Om dat verborgen gebied in dit geval zichtbaar te maken (voor zover mogelijk) moet je als leerkracht niet alleen goed kunnen signaleren en observeren.
Signaleren kan door de volgende instrumenten te hanteren: Een Algemeen GroepsOnderzoek = AGO (Pravoo map van Luc Koning). Dit onderzoek is een vorm van pedagogisch onderzoek dat gebruikt kan worden om de sfeer in een groep te verbeteren. Het onderzoek is afgestemd op bovenbouwkinderen van basis- en speciaal onderwijs. Zie link AGO

Een sociogram hanteren. 
Hiermee kan de leerling op zeer anonieme wijze duidelijk maken welke voorkeuren en afwijzingen hij/zij heeft ten op zichte van mede- leerlingen. Zie uitwerking onder de tab: Sociogram.

Vragenlijst specifiek gericht op het pesten. Zie hier voor de uitwerking: Vragenlijst pesten.
Gesprekken met ouders. De leerkracht kan door actief te luisteren naar ouders heel veel informatie inwinnen over bijvoorbeeld de thuissituatie/ -omgeving.

Groepsgesprekken geven de leerkracht de mogelijkheid om te peilen hoe kinderen op elkaar reageren. Luisteren de kinderen wel goed naar alle kinderen of is daar een verschil. Krijgt de één meer respect door goed luistergedrag dan een ander? Worden kinderen genegeerd, gestoord door uitlachen, gepraat tussendoor?

Observatielijsten
Deze lijsten kan de leerkracht zelf maken of hij kan gebruik maken van kant en klare observatielijsten. Luc Koning laat in zijn handboek voor gedrag- & gedragsproblemen zien hoe je zo’n observatielijst voor pesten kunt samenstellen.

  • Observaties tijdens de pauze of vrije leersituaties.
  • Observaties door collega’s (collegiale consultancy) of door andere externen zoals de Intern begeleider, Schoolbegeleidingsdienst, jeugdzorg etc.

Het leerlingvolgsysteem hanteren/ bekijken of een leerling slechter presteert dan voorheen. Daarnaast moet je natuurlijk ook antennes hebben voor de signalen die overduidelijk aanwezig zijn. Wij hebben al in de voorgaande hoofdstukken, maar met name in het hoofdstuk “verschillende vormen van pesten” heel veel voorbeelden gegeven van signalen waaraan een pester of een gepest kind herkent kan worden.Om nóg een beeld te geven hoe inventief kinderen zijn hebben wij hieronder nog een summiere lijst toegevoegd.

  • altijd een bijnaam, nooit bij de eigen naam noemen
  • zogenaamde leuke opmerkingen maken over een klasgenoot
  • en klasgenoot voortdurend ergens de schuld van geven
  • briefjes doorgeven
  • jennen, beledigen, uitlokken
  • opmerkingen maken over kleding
  • isoleren, een kring vormen of insluiten in de klas, gang of schoolplein
  • buiten school opwachten, slaan of schoppen
  • op weg naar huis achterna rijden
  • naar het huis van het slachtoffer gaan
  • bezittingen afpakken
  • schelden of schreeuwen tegen het slachtoffer
  • iemand op het uiterlijk beoordelen

Rol van de omstanders


De omgeving van de pester en de gepeste, zoals ouders, leerkrachten en de rest van de groep, spelen een grote rol in het pestgedrag. Zij laten het pesten gebeuren, grijpen niet in en geven hierdoor zowel de pester als de gepeste het idee dat deze situatie normaal is. Dat de pester het recht heeft te pesten en dat de gepeste het pesten maar gewoon moet ondergaan. Vaak ontstaat er hierdoor bij kinderen die gepest worden het idee dat het hun eigen schuld is.

Het groepsproces
Van der Meer (1988) benadrukt dat pesten niet los te zien is van het groepsproces. Ieder mens die in een groep wil of moet functioneren ervaart een drietal basisbehoeften. Deze zijn het zich veilig voelen in een groep, invloed kunnen uitoefenen in een groep en een juiste hoeveelheid persoonlijk contact.

De eerste en meest fundamentele behoefte is zich veilig te weten in een groep. Als kinderen zich veilig voelen, raken ze ook meer betrokken bij een groep. Men wil bij een groep horen, maar ook zoveel mogelijk zichzelf blijven. Bij het tot stand komen van een nieuwe groep vragen de groepsleden zich af of zij kunnen functioneren in een groep en hoe zij een gewaardeerd en gerespecteerd groepslid kunnen zijn.

De tweede basisbehoefte is invloed uit te kunnen oefenen in een groep. Deze komt op de voorgrond zodra in de eerste behoefte in enige mate is voorzien. De één is tevreden met een minimale invloed, de ander heeft juist behoefte aan een sterke inbreng in een groep. Er komt in een groep een verdeling van invloed tot stand. De groepsleden zijn er op uit deze in ongeschreven regels vast te leggen om zodoende de eigen positie te beschermen.

Persoonlijk contact
Het juiste hoeveelheid persoonlijk contact komt vooral naar voren wanneer de eerste twee behoeften redelijk gerealiseerd zijn. Ook hier zijn de behoeften verschillend. De één vindt persoonlijke communicatie nauwelijks nodig en heeft een voorkeur voor zakelijk omgaan met elkaar. Een ander ziet uit naar persoonlijke verhoudingen met andere groepsleden.

Aansluitend op de drie basisbehoeften speelt zich een proces af binnen de groep dat leidt tot evenwicht tussen alle individuele en gezamenlijke verlangens. Dit is het makkelijkst te herkennen bij de vorming van een nieuwe groep. Deze vorming verloopt in fasen.

Eerste fase
De eerste fase van dit proces omvat de verkenning van de groepsleden. Iedere leerling vraagt zich af hoe het in de groep zal gaan, wat men van hem verwacht en hoe hij aan de verwachtingen kan voldoen. Het doel van de groep wordt in kaart gebracht en in verband gebracht met de eigen verwachtingen. Het kind probeert een manier te vinden om bij de groep te horen en zich op zijn gemak te voelen.

Tweede fase
De tweede fase regelt ieders invloed in de groep. Naarmate de gang van zaken binnen de groep duidelijker wordt gaan de kinderen uitproberen tot hoever ze kunnen en mogen gaan. Er ontstaat een 'machtsstrijd', waarbij de kinderen proberen de door hen gewenste invloed uit te oefenen op de doelen van de groep en op de wijze waarop de leden met elkaar omgaan.

Afhankelijk van wie de machtsstrijd wint wordt de hiërarchie in de groep bepaald, waarbij posities worden ingenomen of toebedeeld. Eén of enkele groepsleden nemen de laagste plaats in binnen deze hiërarchie. De posities kunnen overigens per situatie verschillen. Zo kan er een ander patroon zijn bij de gymlessen dan bij de cognitieve vakken. Sommige leerlingen worden niet of in mindere mate geaccepteerd door de groep. Temidden van deze kinderen bevinden zich de potentiële zondebokken.

Derde fase
In de derde fase komen de onuitgesproken gedragsregels tot stand. In de vorige fase is duidelijk geworden wie in belangrijke mate bepaalt hoe de omgangsregels eruit zullen zien. Deze gedragsregels en normen hebben de functie een vast patroon van posities te consolideren en de grenzen aan te geven van wat de groep kan en mag. Degene die zich aan deze normen houdt is veilig.

In sommige groepen zijn de groepsnormen negatief. Dit heeft tot gevolg dat:
  • de groep geen verantwoordelijkheid neemt voor zichzelf en voor de individuele leden
  • alleen de sterksten worden gehoord
  • er concurrentie tussen de groepsleden is
  • besluiten worden doorgedrukt- problemen worden verdoezeld of met geweld 'opgelost'.
In een dergelijke groep is de kans groot dat een zondebok wordt aangewezen. Degene die op de onderste trede van de hiërarchische ladder staat zal dan worden gepest zonder dat de rest van de groep in staat is hier iets tegen te doen. Een leerling stelt de normen niet gauw ter discussie, want dat wordt gezien als een aanslag op het verworven evenwicht, hetgeen opnieuw tot veel onzekerheden leidt. De drie fasen zouden dan namelijk opnieuw moeten worden doorlopen.

De leerkracht
De vraag is welke invloed leerkrachten hebben op eventueel pestgedrag in de klas. Volgens Van der Meer (1988) kan autoritair gedrag van leerkrachten resulteren in het ontstaan van zondebokken in een klas. Autoritair gedrag doorkruist de invloedsstructuur van de groep en wakkert agressief gedrag aan. Het groepsevenwicht wordt verstoord, dit roept frustratie op en deze frustratie kan niet afgereageerd worden op een autoritaire volwassene en wordt dan afgereageerd op een ‘zwakke’ klasgenoot.

De leerkracht vervult een voorbeeldfunctie voor de leerlingen. Wanneer een leerkracht boos of pesterig reageert op een leerling die veel fouten maakt tijdens een gymles, kan dit gedrag door leerlingen overgenomen worden en uiteindelijk leiden tot het aanwijzen van een zondebok. Volgens Olweus (1992) zijn veel waardering en welgemeende aandacht van de leerkracht belangrijke middelen om het gedrag van de leerlingen te beïnvloeden.


Klungers (1999) van het anti-pestbureau Posicom heeft een reader over de aanpak van pesten geschreven. Volgens hem behoort de leerkracht de leider in de klas te zijn, die structuur, affectie en ruimte biedt. Wat belangrijk is, is hoe de leerkracht aankijkt tegen het fenomeen pesten, de pester en de gepeste. Omgekeerd is het ook belangrijk hoe de kinderen tegen de leerkracht aankijken. Kan de leerkracht orde houden? Stimuleert de leerkracht het zelfbeeld, zelfvertrouwen en meedenken bij de kinderen? Hoe bekwaam is de leerkracht in het geven van positieve feedback? Maakt de leerkracht onderscheid tussen gedrag en het wezen van het kind? Een klas is een systeem.


Watzlawick (1974) zegt het volgende over een systeem: ‘Elk deel van een systeem verhoudt zich zo tot de andere delen, dat een verandering in één deel een verandering in alle delen en in het totale systeem zal veroorzaken. Dat wil zeggen dat een systeem zich niet gedraagt als een eenvoudige samenvoeging van onafhankelijke elementen, maar als een samenhangend en ondeelbaar geheel.’

Uit het bovenstaande wordt dus samengevat duidelijk dat het gedrag van een leerkracht het gedrag van de leerlingen beïnvloedt, het hangt met elkaar samen. Wanneer een leerkracht zich niet bewust is van zijn invloed op de klas, kan dit leiden tot pestgedrag.

De ouders
Ouders zien hun kinderen niet of nauwelijks in de schoolse situatie. Het is voor hen dan ook moeilijk om te constateren of hun kind op school gepest wordt. Het is wel mogelijk om signalen van het kind op te vangen en daarmee naar de leerkracht te stappen.

De volgende signalen zijn primaire signalen die slachtoffers thuis kunnen uitzenden.
  • Ze komen uit school met gescheurde kleren, met beschadigde boeken. 
  • Ze hebben blauwe plekken, verwondingen, sneeën, schrammen, die ze niet op een normale manier opgelopen kunnen hebben.
Secundaire signalen, thuis uitgezonden door slachtoffers van pestgedrag, zijn de volgende.
  • Ze brengen na school geen klasgenoten of andere leeftijdsgenoten mee naar huis.
  • Ze komen zelden bij klasgenoten thuis en spelen zelden met klasgenoten.
  • Ze hebben geen enkele goede vriend met wie ze hun vrije tijd doorbrengen, bijvoorbeeld spelen, winkelen, sporten en muziek, kletsen aan de telefoon.
  • Ze worden zelden of nooit uitgenodigd voor feestjes en zijn ook niet geïnteresseerd in het zelf geven van feestjes, omdat ze verwachten dat niemand wil komen.
  • Ze zijn bang of hebben weerzin om ‘s ochtends naar school te gaan: ze hebben een slechte eetlust en vooral ‘s ochtends vaak hoofd- en maagpijn.
  • Ze kiezen een ongebruikelijk traject om naar school en naar huis te gaan.
  • Ze slapen rusteloos, met nachtmerries, en huilen in hun slaap.
  • Ze verliezen de belangstelling voor hun schoolwerk en halen lagere cijfers dan voorheen.
  • Ze zien er bang, verdrietig of neerslachtig uit of vertonen onverwachte stemmingswisselingen met opvliegers en plotselinge driftbuien.
  • Ze vragen of stelen geld om de pestkoppen te gerieven.
Gezin
Wanneer kinderen deze signalen uitzenden is het aan de ouders om alert te zijn op meer signalen. Het gezin heeft grote invloed op het gebeuren op school, door gehanteerde normen en waarden die afwijken van normen en waarden op school, door rollen die kinderen binnen het gezin hebben en ook op school gaan hanteren.

In een groep is ieder kind, vooral in het beginstadium, bezig de eigen loyaliteit af te meten aan die van de groep. Passen de normen en waarden die je meeneemt vanuit het gezin bij de geldende normen en waarden van de klas?

Voorbeelden
Twee voorbeelden om de invloed van het gezin duidelijker te maken.
  1. Het eerste voorbeeld betreft een klas die het leuk vindt om een leerkracht het leven zuur te maken. Het is een ongeschreven gedragsregel van de klas. Wie niet meedoet met het pesten van de leerkracht, is niet loyaal naar de klas toe, zo wordt gesteld. Een leerling kan er voor kiezen niet mee te doen aan de pesterijen, omdat hij zo niet is opgevoed. In zijn opvoeding is het een ongeschreven gedragsregel dat je iemand die gezag uitoefent niet mag tegenwerken.
    De gezinsregel staat voor hem boven de regel door de klas gesteld. Deze gezinsregel leeft echter niet bij de klas. De klas kan zich er niets bij voorstellen en bedenkt zelf een reden waarom deze leerling niet meepest. Ze fantaseren vanuit hun eigen waarheid: hij wil een wit voetje halen bij de leerkracht, hij doet het om ons te pesten, hij durft niet. De leerling kan door de klas verworpen worden en bij de volgende gelegenheid uitgestoten worden als een zondebok. (Van der Meer, 1988.)
  2. Het tweede voorbeeld is een kind dat thuis de rol van zondebok op zich gedrukt krijgt, doordat ouders vaak ruzie hebben en dit op het kind afreageren. Het kind heeft op school een angstige, teruggetrokken houding, wat negatieve aandacht oproept van de rest van de klas. Dit kan tot gevolg hebben dat het kind ook op school zondebok wordt.

Het gepeste kind


Het gepeste kind is degene die de pesterijen ondergaat. De gepeste is het doel van de agressie. Dit kind is vaak sociaal niet aanvaard in de groep en staat relatief hulpeloos ten opzichte van de agressie door meestal passief te reageren.

Machteloos
Veel kinderen die worden gepest hebben moeite om zichzelf te verdedigen. Ze voelen zich machteloos tegenover de pestkoppen. Vaak zijn ze angstig en onzeker in een groep, ze durven niets te zeggen omdat ze bang zijn om uitgelachen te worden. Deze angst en onzekerheid worden versterkt door het pesten.
Gepeste kinderen voelen zich vaak eenzaam, hebben geen vrienden om op straat te spelen en geen vast clubje in de klas. Soms kunnen ze beter met volwassenen opschieten dan met leeftijdgenoten.
Jongens die worden gepest behoren meestal niet tot de sterksten van de groep.

Ze zijn vaak onhandig in spel en sport.Kinderen die gepest worden zenden signalen uit, zowel op school als thuis. Deze signalen zijn onder te verdelen in primaire en secundaire signalen. Met primaire signalen worden die signalen bedoeld die direct en duidelijk verbonden zijn met het pestprobleem. Secundaire signalen duiden ook vaak op zo’n situatie, maar minder rechtstreeks.

Primaire signalen
De volgende signalen zijn primaire signalen die slachtoffers op school kunnen vertonen.
Ze worden (herhaaldelijk) op een gemene manier gepest, uitgescholden, bespot, gekleineerd, belachelijk gemaakt, vernederd, bedreigd, gecommandeerd, overheerst of onderworpen. Klasgenoten steken de draak met hen en lachen hen op een spottende en onvriendelijke manier uit.

Ze worden lastiggevallen, weggeduwd, gestoten, gestompt, geslagen, geschopt en ze zijn niet in staat zichzelf adequaat te verdedigen. Ze zijn betrokken bij ‘twisten’ of ‘ruzies’ waarin ze zich totaal niet kunnen verdedigen en waaruit ze soms huilend proberen te ontsnappen. Hun boeken, geld of andere eigendommen worden beschadigd of slingeren rond. Ze hebben blauwe plekken, verwondingen, sneeën, schrammen of gescheurde kleding die ze niet op een normale manier opgelopen kunnen hebben.

Secundaire signalen
De volgende signalen zijn secundaire signalen, uitgezonden door slachtoffers op school.
Ze zijn (vaak) alleen en ze worden uitgesloten door de groep tijdens pauzes. Ze lijken geen enkele goede vriend in de klas te hebben. Ze worden als een van de laatsten gekozen bij het samenstellen van een team. Ze proberen in de pauze dicht bij de leerkracht of andere volwassenen te blijven. Ze vinden het erg moeilijk hardop te praten in de klas en geven een angstige en onzekere indruk. Ze zien er bang, ongelukkig, neerslachtig en huilerig uit. Ze tonen een plotselinge of geleidelijke verslechtering in schoolresultaten.

Kenmerken
Algemene kenmerken voor de zondebok/het slachtoffer:

  • De meeste slachtoffers zijn "sociaal onhandig": uit verlegenheid of faalangst reageren zij net verkeerd. Daardoor lijkt het wel eens of ze het zelf uitlokken.
  • De meeste slachtoffers hebben (of krijgen als gevolg van het pesten) een negatief zelfbeeld, angstig, onzeker van zichzelf, ongelukkig en bedroefd
  • Anders dan bij de pestkoppen het geval is, uiten zij dat niet met bravoure, maar juist door zich terug te trekken en af te sluiten. Daardoor worden ze nog kwetsbaarder!
  • Ook fysiek zwakke kinderen lopen het risico een zondebok te worden, met name jongens. Ze zijn lichamelijk overdreven voorzichtig, bang voor pijn of bang om zichzelf te bezeren, onhandig tijdens spel, sport en vechten. Ze hebben een slechte lichamelijke coördinatie, hetgeen met name voor jongens geldt. 
  • Ze zijn behoedzaam, gevoelig, stil, teruggetrokken, misschien passief, onderdanig en verlegen en makkelijk aan het huilen te brengen. Ze kunnen onder leeftijdsgenoten moeilijk voor zichzelf opkomen, noch fysiek, noch verbaal, noch anderszins; ze zijn meestal niet agressief, lastig of uitdagend.
  • Ze kunnen vaak beter opschieten met volwassenen (ouders, leerkrachten) dan met leeftijdgenoten.
Gedicht
Pesten,
Ze doen het iedere dag.
Pesten,
Terwijl ze weten dat het niet mag
Huilen,
Want je bent weer gepest,
Huilen,
Want je bent anders dan de rest
Bang,
Hoe zou het vandaag weer gaan?
Bang,
Wordt het schelden, wordt het slaan?
Radeloosheid,
Houdt het dan nooit op?
Radeloosheid,
Ze gaan door, ook al roep ik STOP.
Verdriet,
Want stoppen doen ze niet.
Verdriet,
Geen leraar die het ziet. 
Carry Slee

De pester


De persoon (of groep) die negatieve handelingen verricht en/of agressief is, wordt de pester(s) genoemd. Pesters hebben snel in de gaten welke kinderen gemakkelijk aan het huilen te brengen zijn. De pesters zijn mondiger en lichamelijk sterker dan het slachtoffer. De pesters zien het slachtoffer eigenlijk als waardeloos.

Eenzaam
Soms pesten de pesters ook omdat ze zich eenzaam voelen. Een belangrijk kenmerk van de pestkoppen is hun agressie jegens leeftijdsgenoten en volwassenen. Deze kinderen zijn vaak impulsief, hebben een sterke behoefte om anderen te domineren en hebben vaak een relatief positief zelfbeeld of juist een heel negatief zelfbeeld. Beide vormen kunnen voorkomen. Veel pestkoppen hebben een gering vermogen zich in te leven in de rol van hun slachtoffers. Tenzij ze natuurlijk zelf slachtoffer zijn geweest. In dat geval weten ze wel hoe het voelt maar toch gaan ze door omdat ze nu de macht ervaren die ze toen juist niet hadden. Het gevoel van macht overstijgt dus het gevoel van empathie.

Pesters kunnen zich in een klas zelf onveilig voelen en zetten hun frustratie om in agressie tegen een klasgenoot. Sommige pesters zijn in het verleden zelf zondebok geweest en nemen als reactie daarop het heft in eigen handen. Een aantal leerlingen pest omdat ze denken dat het stoer staat, omdat het erbij zou horen, omdat ze slechts op pestende manier met anderen om kunnen gaan, of omdat ze denken dat het van hen wordt verwacht.

Eigenwaarde
Leerlingen leren hun eigenwaarde onder andere af te meten aan de mate waarin ze hun klasgenoten kunnen overtreffen. Ze kunnen anderen omlaag proberen te drukken omdat ze denken zo zelf beter naar voren te komen. Meestal pesten ze alleen als ze in een groep zijn, of voldoende (passieve) medestanders hebben.

Uit onderzoek is gebleken dat ouders vaak niet weten dat hun dochter of zoon een pester is. De plaats in het gezin kan ook een oorzaak zijn van pestgedrag. Een kind dat bijvoorbeeld thuis altijd moet opboksen tegen een oudere broer of zus, zal op school sneller gaan concurreren met anderen. Heel in het algemeen zou je kunnen zeggen dat de redenen waarom iemand gaat pesten voor een groot deel terug te voeren zijn op de manier waarop die persoon thuis behandeld is.

Relatie ouders
Als de relatie met de ouders al vroeg slecht was en zij maar weinig belangstelling voor het kind toonden, heeft dat kind een grote kans een treiteraar te worden. Als agressief gedrag van het kind niet aan banden gelegd wordt, is de kans dat het kind uitgroeit tot een pester nog groter.

Kinderen die pesten hebben vaak niet door dat ze een gepest kind pijn en verdriet doen. Soms is dat zo erg dat een gepest kind daar de rest van zijn leven last van blijft hebben. Pesters kunnen zelf ook vaak niet meer stoppen met pesten. Ze denken soms dat andere kinderen het ook leuk vinden en hen bewonderen maar ze hebben niet door dat dat niet zo is. Veel kinderen die pesten, weten vaak niet waar zij mee bezig.

Indien het pestgedrag voort komt uit eigen onzekerheid dan is het kenmerkend dat:

  • Een pestkop vaak eigen onmacht en zwakheid wil verbloemen.
  • Veel pestkoppen een negatief zelfbeeld hebben dat zij overschreeuwen met bravoure tegenover een leerling die zij als ‘zwakker’ beschouwen. Op die manier proberen pestkoppen voor zichzelf een hogere plaats in de groep (‘de pikorde’) te verwerven.
  • Het ook kan zijn dat ze andere kinderen pesten om te voorkomen dat ze zelf gepest worden.
  • Pesters vaak ongelukkig kinderen zijn: zij krijgen bijvoorbeeld thuis en/of op school te weinig aandacht of zij hebben leerproblemen op school.
Pestkoppen
Daarnaast is er een groep van passieve pestkoppen. Dit zijn de meelopers en handlangers die zelf gewoonlijk niet het initiatief nemen. De pester durft in zijn eentje niet te pesten. De kinderen die bij zo’n pester horen zijn zelf vaak ook bang dat ze gepest worden. Door het vriendje te zijn met de pester, hopen ze dat ze zelf niet worden gepest of dat er over hen geroddeld wordt.

De kenmerken van de passieve pestkoppen zijn vaak een combinatie van de kenmerken genoemd bij pestkoppen en slachtoffers. Zo kunnen onzekere en angstige leerlingen soms tot de groep passieve pestkoppen worden gerekend (Olweus 1992).

De meelopers zijn meestal zelf bang voor de pester en laten hem meestal vallen als hij (de pester gezichtsverlies leidt.

Verschil pesten en plagen


Pesten is niet hetzelfde als plagen. Het verschil tussen plagen en pesten voel je meestal direct aan. Om plagen kun je lachen – van pesten moet je huilen. Pesten komt ook niet af en toe voor, zoals plagen. Pesten gebeurt vaak, soms dagelijks.

Iemand van zijn fiets aftrekken: dat kan plagen zijn. Maar ook pesten. Het is plagen als de kinderen aan elkaar gewaagd zijn: de ene keer doet de een iets onaardigs, een volgende keer is het de ander. Het is een spelletje, niet altijd leuk, maar nooit echt bedreigend. Door elkaar te plagen leren kinderen om met conflicten om te gaan. Het hoort bij het groot worden.

Bedreigend
Pesten is wel bedreigend. En het gebeurt niet zomaar een keer, maar iedere dag weer, soms een jaar of langer achter elkaar. Het kan even over zijn, maar dan begint het pesten weer. Bij pesten wordt een slachtoffer uitgezocht om de baas over te spelen op een heel bedreigende manier. De pestkop misbruikt zijn macht: het slachtoffer wordt geslagen, uitgescholden, vernederd, gekleineerd.

Naast deze openlijke vormen van pesten komen ook vormen van pesten voor die niet zichtbaar zijn. Bijvoorbeeld als een kind altijd wordt buitengesloten, nooit ergens aan mee mag doen, op geen enkel feestje wordt uitgenodigd.

Pesten
Het verschil tussen pesten en plagen op een rijtje:

  • pesten is gemeen, mag niet en het moet stoppen
  • de ene heeft veel meer macht dan de andere
  • steeds dezelfde persoon is de winnaar
  • het slachtoffer is niet in staat zich te verdedigen
  • het slachtoffer loopt schade op, in het gevoel of met spullen of verwondingen
  • de gepeste leerling gaat zich heel ongelukkig en eenzaam voelen
  • er worden vaak andere leerlingen en omstanders bij betrokken

Plagen
Plagen is vooral een spel en het gebeurt vaak tussen vrienden. Het spel gaat om te kijken of je creatief kan reageren en dat waardeer je.

  • het gebeurt tussen mensen die gelijk zijn aan elkaar wat betreft macht
  • er is geen winnaar of verliezer
  • de waardering voor elkaar blijft bestaan
  • de geplaagde kan zichzelf goed verdedigen
  • niemand loopt schade op

Wat is pesten?


Onder pesten wordt verstaan: het langdurig uitoefenen van geestelijk en/of lichamelijk geweld door een persoon of een groep tegen een eenling die niet in staat is zich te verdedigen. Pesten is een vorm van agressie en kan vele vormen aannemen. Kinderen kunnen worden nageroepen, uitgescholden of belachelijk gemaakt worden.

Soms worden kinderen ook vernederd of wordt er geslagen, geschopt, geknepen of onder dwang vastgehouden. Maar pesten kan ook een passievere vorm aan nemen, waarbij het kind wordt buiten gesloten en genegeerd, of er worden vieze gebaren gemaakt en gezichten getrokken, iets wat net zo pijnlijk kan zijn als schelden of slaan.

Het verschijnsel pesten onder kinderen heeft ongetwijfeld altijd bestaan. Veelal wordt aangenomen dat het pesten niet alleen ernstigere vormen aanneemt, maar ook omvangrijker is dan tien of vijftien jaar geleden. Hoewel velen bekend zijn met het probleem is men pas in de jaren zeventig begonnen met het bestuderen van dit verschijnsel.

In een grootschalig onderzoek in Scandinavië door Olweus (1986) werd duidelijk dat pesten een kwaadaardige vorm van agressie is. Olweus rekent af met een aantal onjuiste opvattingen over pesten, bijvoorbeeld dat pesten gezond zou zijn voor de ontwikkeling van het kind. Dit is een bepaalde vorm van de algemene veronderstelling dat ontwikkeling kan worden gestimuleerd door een extreme uitdaging of belasting.

Bij pesten pakt dat echter helemaal verkeerd uit. Slachtoffers van pesten kunnen zonder gerichte maatregelen van opvoeders hun situatie nauwelijks veranderen.
Olweus vond bovendien dat pesterijen zowel voor het slachtoffer als voor de dader nadelige gevolgen kan hebben.

Kinderen die regelmatig het slachtoffer zijn van pesterijen vertonen meer depressieve symptomen en lopen als gevolg daarvan een verhoogd risico om andere problemen te krijgen, bijvoorbeeld slechtere schoolprestaties, een lagere zelfwaardering en lichamelijke klachten. Daders lopen later als adolescent en jongvolwassene, in vergelijking met leeftijdsgenoten, een verhoogde kans op betrokkenheid bij criminaliteit.

Pesten in het algemeen

Op deze pagina kun je wat algemene info vinden over pesten. Hoe gaat het in zijn werk, wat zijn de gevolgen, wie kan er wat aan doen, etc. Belangrijk om dit eerst te lezen, voordat de andere informatie wordt bekeken:

Onderwerpen

maandag 14 november 2011

Oorzaken ADHD

Met opzet?Vaak lijkt het of een kind met ADHD zich met opzet zo gedraagt. Bij deze kinderen is echter geen sprake van onwil, maar van onvermogen. Ze doen het niet expres.

OntstaansgeschiedenisADHD kent verschillende ontstaansgeschiedenissen. De precieze oorzaak is (nog) niet helemaal duidelijk.
Recent onderzoek wijst erop dat er bij ADHD sprake is van een neurobiologische stoornis in de hersenen, op het niveau van de zenuwverbindingen (neurotransmissie).
Wetenschappers zoals onder ander Russell A. Barkley zien een regulatiestoornis in het inhibitiesysteem van de hersenen als de oorzaak van ADHD.



InhibitiesysteemDit inhibitiesysteem wordt ook wel het ‘remsysteem’ genoemd, omdat in dit deel van de hersenen de ‘remmen’ zitten die ervoor moeten zorgen dat iemand niet op alle prikkels van buitenaf reageert en onbelangrijke prikkels selecteert en negeert. Deze ‘remmen’ worden gestuurd door de neurotransmitters. Neurotransmitters zijn chemische stoffen die ervoor zorgen dat de hersencellen signalen of boodschappen aan elkaar door kunnen geven. Deze neurotransmitters werken bij iemand met ADHD minder effectief. Het inhibitiesysteem speelt een cruciale rol bij concentratie, bij regulering van gedrag, bij controle van impulsen en bij de planning van toekomstige handelingen. Daarnaast beïnvloedt het ook de emoties, het geheugen en de motivatie.

FamiliesADHD komt in sommige families vaker voor dan in andere families. Men gaat uit van een kwetsbaarheid in de erfelijke aanleg die wordt beïnvloed door verschillende omgevingsfactoren. Er is een vermoeden dat er sprake is van een lichte hersenbeschadiging of hersendisfunctie, welke weer van invloed zijn op verschillende biochemische processen waaronder de prikkeloverdracht. Dat zijn zowel biologische factoren die spelen rondom zwangerschap (roken, alcoholgebruik, ziektes van de moeder, vergiftiging), bevalling (zuurstofgebrek, vroeggeboorte) en ontwikkeling van het kind als psychologische en sociale omgevingsfactoren die te maken hebben met onder meer opvoeding en onderwijs. Bij minder dan tien procent van de kinderen met ADHD kan hersenletsel aangewezen worden ten gevolge van een ongeluk.

CulturenADHD komt in alle landen en culturen voor. Gemiddeld worden er percentages van 3 tot 10% genoemd. Dat heeft enerzijds te maken met de manier waarop symptomen worden beoordeeld en anderzijds met het feit dat deze problematiek in bepaalde gebieden vaker voorkomt. In Nederland heeft de Gezondheidsraad zich uitgesproken over een percentage van 2-4% van de schoolgaande kinderen tot 14 jaar, waarbij 2% zeer ernstige symptomen heeft en het bij 4% van de kinderen in lichtere mate voorkomt.

Gedragskenmerken ADHD

Aandachtsstoornis

Kinderen die kampen met aandachtstekort hebben moeite hun aandacht bij hun taken, spel of gesprek te houden. Het tekort manifesteert zich over een breed gebied, uiteenlopend van onjuiste reacties op eenvoudige prikkels, via chaotisch en weinig oplettend gedrag, tot het niet op kunnen lossen van complexe werkopdrachten. Ze springen van de hak op de tak in hun spelen, werken, praten en denken.

Belangrijkste gedragskenmerken

De twee belangrijkste gedragskenmerken van ADHD zijn aandachtsstoornis en hyperactiviteit/ impulsiviteit. De mate waarin deze kenmerken aanwezig verschillen per kind. Het ene kind heeft er zo veel last van dat er behoefte is aan een duidelijke diagnose en behandeling. Bij een ander kind bestaat het vermoeden dat er ‘iets’ is, maar kunnen zowel het kind als de omgeving daar best mee leven. Wil je over ADHD spreken, dan moet er wel sprake zijn van disfunctioneren volgens DSM-IV (Diagnostic Manual of Mental Disorders 4th Edition.




Hyperactiviteit/ impulsiviteit

Het tweede gedragskenmerk heeft betrekking op de manier waarop ADHD- kinderen zich bewegen en gedragen.

Motorische onrust

Hyperactiviteit verwijst naar een hoge mate van motorische onrust, zoals bijvoorbeeld wiebelen, draaien, frunniken, tikken met een pen, steeds opstaan, aan andere kinderen plukken. Stil zitten en rustig zijn vraagt enorm veel energie van een ADHD-kind. De onrust en ongedurigheid uit zich naast de motorische onrust ook in overmatig veel praten en geluiden maken. Vooral op jonge leeftijd zijn kinderen met ADHD voortdurend in beweging en kunnen ze nauwelijks op hun plaats blijven zitten. Naarmate ze ouder worden, verandert dat voortdurend bewegen en van de plaats af lopen in bijvoorbeeld friemelen met de handen, wiebelen met de benen en draaien op de stoel.

Direct reageren

Impulsiviteit verwijst naar het direct reageren op prikkels uit de omgeving. Het kind doet iets zonder na te denken. Het kind kan zijn reactie niet uitstellen. Impulsieve kinderen gooien hun antwoord er bijvoorbeeld al uit voordat de vraag helemaal gesteld is. Ze hebben bij het spelen vaak moeite op hun beurt te wachten, dringen zich ongevraagd op, verstoren het spel van anderen of onderbreken een gesprek. Dit vaak tot ergernis van anderen.

Door hun impulsiviteit geven de kinderen te pas en te onpas commentaar, hebben ze grote moeite instructies op te volgen en hangen ze vaak de clown uit. Ook gebruiken ze zonder te vragen dingen van anderen en zitten ze aan spullen terwijl ze weten dat ze er niet aan mogen komen. Ze handelen voor ze nadenken over de gevolgen. Zo ondernemen vaak fysiek gevaarlijke activiteiten, zoals skateboarden op stoepranden of bankleuningen.

De omgeving ervaart, in tegenstelling tot een kind met alleen een aandachtsstoornis (ADD), een kind met een aandachtsstoornis met hyperactiviteit/ impulsiviteit vaak erg lastig en veeleisend, kortom als een energieverslindend kind.

Wat is ADHD?

ADHD
ADHD is een ontwikkelingsstoornis en staat voor Attention Deficit Hyperactivity Disorder.

In het Nederlands betekent ADHD: aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit en impulsiviteit.Kinderen met ADHD kunnen hun aandacht niet lang richten op taken die voor hen van belang zijn; vaak zijn ze erg druk en hebben ze niet het vermogen om hun eigen gedrag onder controle te houden.

ADD
ADD staat voor Attention Deficit Disorder. Kinderen met ADD vertonen naast aandachtsproblemen en een impulsieve denkwijze geen hinderlijk, druk gedrag, maar juist passief gedrag. ADD-kinderen worden niet snel herkend, omdat ze minder storend gedrag vertonen dan kinderen met ADHD.

Naar schatting heeft circa 4% van de leerlingen in het reguliere basisonderwijs ADHD, in het speciaal onderwijs gaat het om ruim 8% van de leerlingen.


Dit betekent dat in bijna elke klas een leerling met ADHD zit. De kans dat een leerkracht in aanraking met ADHD te maken krijgt is dus zeer groot.

Geschiedenis van ADHD


Beschrijvingen van drukke en onstuurbare kinderen bestaan al sinds 1847. De Duitse arts Hofmann schreef in zijn boek “Struwel Peter” (Piet de Smeerpoets) over “Zappel Philip, oftewel ongedurige Philip. Na 1900 raakte men steeds meer geïnteresseerd in het verband tussen bepaalde hersenaandoeningen/ beschadigingen en gedrag. In 1902 schetste de Londense kinderarts Still het hyperactieve en impulsieve gedrag van 20 kinderen en verklaarde de gedragsproblemen van deze kinderen vanuit een organische hersenafwijking die ofwel was geërfd of opgelopen door een trauma rond de geboorte.
Rond 1950 noemde men de aandoening van kinderen die beweeglijk en impulsief gedrag en concentratieproblemen vertoonden Minimal Brain Damage, kortweg MBD. Men vermoedde een hersenbeschadiging als oorzaak van het problematische gedrag.



In de jaren zestig werd steeds meer getwijfeld aan hersenschade als enige oorzaak. De D van Damage werd vervangen door de D van Dysfunction. Na 1988 spreekt men over ADHD. De term die nu nog steeds wordt gehanteerd.